1. Wat is inversie?
Inversie betekent dat het werkwoord vóór het onderwerp komt in een zin.
Normale volgorde in een zin:
Onderwerp + Werkwoord + Rest
➡️ Ik werk in Amsterdam. → I work in Amsterdam
Bij inversie:
Tijd / Plaats / Bijwoord + Werkwoord + Onderwerp + Rest
➡️ Vandaag werk ik in Amsterdam. → Today I work in Amsterdam
Tip: Het werkwoord staat altijd als tweede deel van de zin, niet per se als tweede woord.
2. Wanneer gebruiken we inversie?
Je gebruikt inversie als de zin niet met het onderwerp begint, maar met bijvoorbeeld:
⏰ Een tijdswoord: vandaag, morgen, in de avond
📍 Een plaatswoord: in Amsterdam, thuis, op school
✨ Een bijwoord: daar, dan, ook, misschien
Voorbeelden:
Morgen ga ik naar school.
In Amsterdam woon ik.
3. Belangrijk verschil met vragen
Bij vragen komt het werkwoord ook vóór het onderwerp, maar dat is geen inversie, dat is gewoon de vraagvolgorde.
Voorbeeld vraag:
Werk jij in Amsterdam?
✅ Inversie = in mededelende zinnen
❌ Niet gebruiken in ja/nee-vragen
Vandaag werk ik thuis.
Morgen ga ik naar school.
In de avond lees ik een boek.
In Amsterdam woon ik.
Op maandag sport ik.
Thuis kook ik graag.
Daarna kijk ik televisie.
Elke dag leer ik Nederlands.
Nu begrijp ik het.
Op school praat ik met vrienden.
Vandaag werk ik in het kantoor.
Morgen leer ik Nederlands.
In de avond kijk ik een film.
Op maandag sport ik in de gym.
Thuis eet ik pizza.
In Amsterdam woon ik met mijn familie.
Elke dag studeer ik een uur.
Daarna luister ik naar muziek.
Nu begrijp ik de les.
Op school schrijf ik in mijn boek.