In het Nederlands heeft elk zelfstandig naamwoord (een persoon, ding of plaats) een lidwoord ervoor.
Er zijn drie lidwoorden in het Nederlands:
👉 de, het en een
Ze werken zoals the en a/an in het Engels.
De en het betekenen allebei “the” in het Engels.
Je gebruikt ze als je praat over iets specifieks, iets wat de ander al kent.
de
de meeste woorden — vooral mensen, beroepen en meervoud
de man, de tafel, de boeken
het
een kleinere groep — vaak dingen, materialen, talen en verkleinwoorden
het huis, het kind, het water, het boek
⚠️ Er is geen makkelijke regel om altijd te weten of het de of het is.
Je moet dit woord voor woord leren.
Maar: ongeveer 75% van de woorden gebruikt “de.”
Een betekent een in het Engels (a/an).
Je gebruikt een als je praat over iets in het algemeen of niet specifieks.
Ik heb een boek.
Zij heeft een hond.
✅ Let op: Een heeft geen meervoud.
Je zegt dus de boeken, niet een boeken.
Woorden in het meervoud gebruiken altijd “de.”
de man → de mannen
het huis → de huizen
Er bestaat geen meervoud van een.
De man werkt in een kantoor.
De, een.
Het huis is groot.
Het
Een vrouw loopt op straat.
Een
De kinderen spelen buiten.
De
Het boek ligt op de tafel.
Het, de
Een kind slaapt in bed.
Een
De hond is oud.
De
Het water is koud.
Het
De man leest een krant.
Het huis is mooi.
Een meisje zingt een lied.
De vrouw werkt in een ziekenhuis.
Het boek is op de tafel.
Een jongen speelt voetbal.
De kinderen zijn blij.
Het water is warm.
Een hond loopt in het park.
De studenten leren Nederlands.