🔹 1. Wat is een meervoud?
Een meervoud is voor meer dan één ding.
Enkelvoud = één (boek → een boek)
Meervoud = meer dan één (boeken → boeken)
🔹 2. Meest voorkomende meervoudsvormen
-en
Meest gebruikt
het boek → de boeken
-s
Voor woorden die eindigen op een klinker of onbeklemtoonde -e
de tafel → de tafels
🔹 3. Spellingregels voor -en meervouden
Korte klinker → medeklinker verdubbelen:
bed → bedden
Lange klinker → één klinker weghalen:
raam → ramen
Woorden die eindigen op -el, -em, -en, -er of -je → uitspraak verandert niet, voeg gewoon -s toe:
tafel → tafels
🔹 4. Speciale meervouden
Sommige meervouden zijn onregelmatig, maar dit zijn er weinig op A1-niveau:
kind → kinderen
ei → eieren
🔹 5. Lidwoord en meervoud
Alle meervouden gebruiken altijd “de”.
Voorbeelden:
de boeken
de stoelen
de huizen
(“het”-woorden worden “de” in het meervoud)
het boek → de boeken
de stoel → de stoelen
de auto → de auto’s
het kind → de kinderen
het raam → de ramen
het bed → de bedden
de tafel → de tafels
de hond → de honden
Ik heb twee boeken.
De kinderen spelen buiten.
Wij hebben drie stoelen.
Zij kopen nieuwe tafels.
De ramen zijn open.
Ik zie veel honden.
De auto’s staan op de parkeerplaats.
Wij hebben vier bedden in het huis.
De huizen zijn groot.
De eieren liggen in de koelkast.