Persoonlijke voornaamwoorden zijn kleine woorden die we gebruiken in plaats van namen.
Ze laten zien wie iets doet (het onderwerp van de zin).
In het Nederlands veranderen deze woorden, afhankelijk van over wie je praat:
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
🟢 Belangrijke opmerkingen
jij en je, zij en ze, wij en we betekenen hetzelfde.
jij / zij / wij gebruik je als je iemand wilt benadrukken.
je / ze / we gebruik je vaker in gewone gesprekken.
u is beleefd — gebruik dit als je praat met oudere mensen of met mensen die je niet kent.
Het werkwoord verandert altijd met het voornaamwoord:
Ik ben
Jij bent
Hij is
ik
Ik ben blij.
jij / je
Jij woont in Nederland.
u
U werkt in een ziekenhuis.
hij
Hij studeert Nederlands.
zij / ze
Zij kookt pasta.
het
Het regent.
wij / we
Wij leren Nederlands.
jullie
Jullie wonen in Amsterdam.
zij / ze
Zij werken in een restaurant.
Ik leer Nederlands.
Jij hebt een mooie fiets.
U komt uit België.
Hij werkt in een restaurant.
Zij woont in Den Haag.
Het is koud vandaag.
Wij studeren elke dag.
Jullie lezen een boek.
Zij spelen voetbal.
Jij bent mijn vriend.