Regelmatige werkwoorden (regular verbs) volgen een vast patroon in de tegenwoordige tijd.
De stam van het werkwoord blijft hetzelfde
Alleen de uitgang verandert, afhankelijk van wie iets doet
Voorbeeld:
werken → to work
ik werk
jij werkt
hij werkt
wij werken
2. Hoe vind je de stam?
Neem het hele werkwoord (infinitief) → eindigt op -en
Verwijder -en → dat is de stam
Voorbeelden:
werken → werk
maken → maak
leren → leer
wonen → woon
3. Voeg de juiste uitgang toe
ikÂ
–Â
ik werk
jij / je
+t
jij werkt
u
+t
u werkt
hij / zij / het
+t
hij werkt
wij / jullie / zij
+en
wij werken
Kort: de uitgangen zijn –, –t, –en
4. Let op de woordvolgorde
In gewone zinnen staat het werkwoord op de tweede plaats:
Ik werk in Amsterdam.
In ja/nee-vragen staat het werkwoord vooraan:
Werk jij in Amsterdam?
5. Veelgebruikte regelmatige werkwoorden
werken
wonen
leren
maken
spelen
luisteren
praten
koken
reizen
studeren
Ik werk in een winkel.
werken
Jij woont in Utrecht.
wonen
Hij leert Nederlands.
leren
Wij maken een taart.
maken
Zij spelen voetbal.
spelen
Ik luister naar muziek.
luisteren
Jij praat met je vriend.
praten
Wij koken vanavond.
koken
Zij reizen naar Spanje.
reizen
Wij studeren samen.
studeren
Ik werk in een kantoor.
Jij woont in Amsterdam.
Hij leert Nederlands.
Wij maken het eten.
Zij spelen gitaar.
Ik luister naar de radio.
Jij praat veel.
Wij koken elke dag.