🔹 1. Wat zijn getallen?
Getallen (of nummers) gebruik je om te tellen.
Je gebruikt ze om te zeggen hoeveel mensen of dingen er zijn.
Op A1-niveau leer je tellen van 0 tot 10.
We gebruiken getallen in het dagelijks leven, bijvoorbeeld:
om je leeftijd te zeggen
om een telefoonnummer te geven
om te zeggen hoeveel dingen je hebt
🔹 2. Getallen van 0 tot 10
nul - 0
één - 1
twee - 2
drie - 3
vier - 4
vijf - 5
zes - 6
zeven - 7
acht - 8
negen - 9
tien - 10
🔹 3. Getallen in een zin gebruiken
Je kunt getallen gebruiken:
📍 Voor een zelfstandig naamwoord
→ één boek, twee kinderen
📍 Na “hebben” of “zijn” om een hoeveelheid te zeggen
→ Ik heb drie katten.
→ Er zijn vier stoelen.
📍 Als antwoord op “Hoeveel?”
→ Hoeveel appels heb je? – Vier.
🔹 4. Uitspraak-tip 🗣️
De Nederlandse getallen hebben korte, duidelijke klanken.
één = lange klank, klinkt als eeen
drie = klinkt als driee (zoals “see”)
vijf = klinkt als faif
Oefen de getallen langzaam en dan sneller.
Ik heb één broer.
één
Jij hebt twee zussen.
twee
Wij hebben drie katten.
drie
Hij heeft vier boeken.
vier
Zij hebben vijf kinderen.
vijf
Ik zie zes stoelen.
zes
Er zijn zeven dagen in een week.
zeven
Wij hebben acht appels.
acht
Ik tel tot negen.
negen
Jij hebt tien vingers.
tien
Ik heb één pen.
Jij hebt twee appels.
Hij heeft drie boeken.
Wij hebben vier stoelen.
Zij hebben vijf kinderen.
Ik zie zes mensen.
Er zijn zeven dagen in een week.
Ik heb acht potloden.
Jij telt tot negen.
Wij hebben tien vingers.