1. Wat zijn voorzetsels van plaats?
Voorzetsels van plaats vertellen waar iets zich bevindt. Ze geven de positie van een persoon, object of plaats aan.
De meest gebruikte voorzetsels van plaats in het Nederlands zijn:
op, in, naast, onder, boven, tussen, voor, achter
2. Belangrijkste voorzetsels en gebruik
op
Gebruik voor iets op een oppervlak: op de tafel
in
Gebruik voor iets in een ruimte: in de kast
naast
Gebruik voor iets ernaast: naast de deur
onder
Gebruik voor iets eronder: onder de stoel
boven
Gebruik voor iets erboven: boven het bed
tussen
Gebruik voor iets in het midden van twee dingen: tussen de stoelen
voor
Gebruik voor iets ervoor: voor het huis
achter
Gebruik voor iets erachter: achter de boom
3. Belangrijke patronen
op + zelfstandig naamwoord → Het boek ligt op de tafel.
in + zelfstandig naamwoord → De kat zit in de doos.
naast + zelfstandig naamwoord → De stoel staat naast de tafel.
onder / boven + zelfstandig naamwoord → De pen ligt onder het boek. / Het lampje hangt boven de tafel.
tussen + zelfstandig naamwoord en zelfstandig naamwoord → Het schilderij hangt tussen de ramen.
voor / achter + zelfstandig naamwoord → De auto staat voor het huis. / Het hek staat achter de tuin.
Het boek ligt op de tafel.
De kat zit in de doos.
De stoel staat naast de tafel.
De pen ligt onder het boek.
Het lampje hangt boven het bed.
Het schilderij hangt tussen de ramen.
De auto staat voor het huis.
Het hek staat achter de tuin.
De schoenen staan naast de kast.
Het speelgoed ligt in de doos.
De tas ligt op de stoel.
Het kind zit in de klas.
De hond ligt naast de deur.
De bal ligt onder de tafel.
De lamp hangt boven de tafel.
Het schilderij hangt tussen de boeken.
De fiets staat voor het huis.
De tuin ligt achter het huis.
Het kussen ligt op het bed.
De boeken liggen in de kast.