1. Wat zijn voorzetsels van tijd?
Voorzetsels van tijd vertellen wanneer iets gebeurt: bijvoorbeeld op maandag, in de ochtend, om acht uur.
De meest gebruikte voorzetsels van tijd zijn:
om, in, op, van…tot…, voor, na, tussen…en…
2. Belangrijkste voorzetsels en gebruik
om
Gebruik met kloktijden: om acht uur
in
Gebruik met maanden, seizoenen, delen van de dag: in juli, in de zomer, in de ochtend
op
Gebruik met dagen en datums: op maandag, op 5 mei
van … tot …
Gebruik voor een periode: van 9 tot 5
voor
voor de les
na
na het werk
tussen … en …
tussen twee en drie
3. Patronen om te onthouden
om + tijd → Ik werk om acht uur.
op + dag / datum → Op vrijdag ga ik naar school.
in + maand / seizoen / deel van de dag → In juli is het warm.
van … tot … → Ik werk van maandag tot vrijdag.
voor / na + zelfstandig naamwoord → Na het eten kijk ik tv.
Ik werk om negen uur.
De les is op maandag.
In de ochtend drink ik koffie.
In de winter is het koud.
Ik werk van acht tot vijf.
Na het werk ga ik naar huis.
Voor het eten was ik mijn handen.
We hebben vakantie in juli.
Op vrijdagavond kijk ik een film.
Tussen twaalf en één eet ik lunch.
Ik sta op om zeven uur.
De les begint op dinsdag.
In de zomer ga ik naar het strand.
In de avond lees ik een boek.
Ik werk van maandag tot vrijdag.
Na het eten kijk ik televisie.
Voor het werk drink ik koffie.
In oktober regent het veel.
Op zaterdag ga ik sporten.
Tussen acht en negen ontbijt ik.