Het werkwoord “hebben” betekent to have.
Het is een onregelmatig werkwoord, net als zijn.
We gebruiken “hebben” om te praten over:
wat iemand heeft of bezit
relaties (bijvoorbeeld familie)
gevoelens (zoals honger, dorst, pijn)
Voorbeelden:
Ik heb een fiets.
Zij heeft een broer.
Wij hebben dorst.
ik heb
Ik heb een auto.
jij / je hebt
Jij hebt een hond.
u heeft
U heeft een afspraak.
hij heeft
Hij heeft een broer.
zij / ze heeft
Zij heeft een tas.
het heeft
Het heeft een grote tuin.
wij / we hebben
Wij hebben tijd.
jullie hebben
Jullie hebben een huis.
zij / ze hebben
Zij hebben vakantie.
Ik heb een hond.
Jij hebt een grote familie.
U heeft een afspraak bij de dokter.
Hij heeft een nieuwe auto.
Zij heeft veel vrienden.
Het heeft een blauwe kleur.
Wij hebben dorst.
Jullie hebben een mooi huis.
Zij hebben vakantie.
Ik heb geen tijd.