Het werkwoord “zijn” betekent to be.
Het is één van de belangrijkste werkwoorden in het Nederlands.
Het is onregelmatig — het volgt dus niet de normale regels.
We gebruiken “zijn” om te praten over:
wie of wat iemand is
hoe iemand zich voelt
waar iemand of iets is
Ik ben docent.
Jij bent blij.
Wij zijn in Nederland.
Ik ben
Ik ben student.
Jij / je bent
Jij bent blij.
U bent
U bent docent.
Hij is
Hij is ziek.
Zij / ze is
Zij is mooi.
Het is
Het is koud.
Wij / we zijn
Wij zijn vrienden.
Jullie zijn
Jullie zijn studenten.
Zij / ze zijn
Zij zijn in de tuin.
Ik ben student.
Jij bent ziek.
U bent erg vriendelijk.
Hij is thuis.
Zij is blij vandaag.
Het is koud buiten.
Wij zijn in de klas.
Jullie zijn mijn collega’s.
Zij zijn op school.
Ik ben niet boos.