Onderwerp + werkwoord + rest
Onderwerp + werkwoord + object (of andere informatie).
Het onderwerp is de persoon of het ding dat iets doet.
Het werkwoord zegt wat er gebeurt of wat iemand doet.
Het object of de andere informatie geeft meer details.
Het werkwoord (het actie-woord) staat altijd op de tweede plaats in de zin.
Dat betekent:
Er staat één woord of een groep woorden vóór het werkwoord (meestal het onderwerp).
Na het werkwoord kun je meer informatie zetten, zoals wat, waar of wanneer.
Onderwerp – werkwoord – object / andere informatie
Ik woon in Amsterdam. Onderwerp: ik. werkwoord: woon
Jij werkt in een kantoor. Onderwerp: jij. werkwoord: werkt
Hij leest een boek. Onderwerp: hij. werkwoord: leest
Wij studeren Nederlands. Onderwerp: wij. werkwoord: studeren
Zij drinken koffie. Onderwerp: zij. Werkwoord: drinken
Ik eet een appel.
Jij kijkt televisie.
Hij speelt gitaar.
Wij wonen in Nederland.
Zij werken in een winkel.
Ik lees een krant.
Jij schrijft een e-mail.
Wij leren Nederlands.
Hij kookt pasta.
Zij luisteren muziek.