Wat doen ze? (Activiteiten beschrijven)
1. De basis (Wie + Wat)
Kijk naar de afbeelding. Je ziet mensen en dingen. Wil je vertellen wat er gebeurt? Gebruik deze simpele regel:
Wie + Wat doet hij/zij? (Person + Action)
2. Voorbeelden in het verkeer
Kijk naar de straat.
De man loopt. (Wie? De man. Wat doet hij? Lopen.)
De vrouw fietst.
De auto rijdt.
De trein stopt.
3. Voorbeelden van acties
Kijk naar de bank en het gras.
De jongen eet.
Het meisje drinkt.
Het kind speelt.
De baby slaapt.
4. Voorbeelden van werk en emotie
Kijk naar de tuin.
De vrouw werkt. (Zij zit op de laptop.)
De man is blij. (Hij lacht.)
5. Grammatica tip (De 't')
Hoor je de -t op het einde? Bij één persoon (hij, zij, de man, het kind) plakken we vaak een t achter het woord.
Loop -> Loopt
Fiets -> Fietst
Speel -> Speelt
Werk -> Werkt
Dat is alles! Nu kun jij vertellen wat je ziet.