Wat doe je in de keuken? In deze les leer je woorden over het maken van eten.
Om te koken heb je spullen nodig. Dit zijn de belangrijkste:
De pan: Hierin kook je bijvoorbeeld soep of aardappelen.
De koekenpan: Hierin bak je vlees of een ei.
Het mes: Hiermee snijd je de groenten.
De oven: Hierin bak je brood of een taart.
Het fornuis: Hier staan de pannen op.
In de keuken gebruik je deze acties:
Wassen: Je wast de groenten met water.
Snijden: Je snijdt het vlees met een mes.
Koken: Je kookt water in een pan.
Bakken: Je bakt een ei in de koekenpan.
Roeren: Je gebruikt een lepel om door de soep te roeren.
Ik kook vanavond verse soep.
Kun jij de tomaten snijden, alsjeblieft?
De rijst moet tien minuten koken.
Ik bak een lekkere appeltaart in de oven.
Moet ik in de pan roeren?
Wij wassen de groenten voor de salade.
Twee mensen staan samen in de keuken.
Lars: Wat gaan we maken?
Anna: We maken pasta met tomaten en kaas.
Lars: Wat kan ik doen?
Anna: Snijd jij de tomaten met dit mes, alsjeblieft.
Lars: Prima. Moet ik de kaas ook snijden?
Anna: Nee, de kaas bak ik kort in de pan.
Lars: Oké. Het ruikt nu al erg lekker!
Meer leren? ⤵️