Je praat over je familie.
Je zegt wie in je familie is.
Familieleden
Hier zijn woorden voor familie:
De vader = de papa
De moeder = de mama
De ouders = de vader en de moeder
De broer = een man in je familie, een zoon van je ouders
De zus = een vrouw in je familie, een dochter van je ouders
De zoon = een jongen van jou
De dochter = een meisje van jou
De opa = de vader van je vader of moeder
De oma = de moeder van je vader of moeder
De oma en opa = de grootouders
De oom = de broer van je vader of moeder
De tante = de zus van je vader of moeder
De neef = de zoon van je oom of tante
De nicht = de dochter van je oom of tante
Zinnen over je familie
Ik heb een grote familie.
Ik heb een kleine familie.
Ik heb een broer.
Ik heb een zus.
Ik heb een moeder.
Ik heb een vader.
Ik heb een opa en een oma.
Voorbeelden
Ik ben Chris. Ik heb één broer.
Ik woon met mijn ouders.
Ik bezoek mijn oma.
Ik bel mijn zus.
Vragen over familie
Wie is jouw vader?
Wie is jouw moeder?
Heb jij broers?
Heb jij zussen?
Meer leren? ⤵️