Je leert je eigen uiterlijk te beschrijven.
Je leert het uiterlijk van een ander te beschrijven.
Je beschrijft een persoon met korte zinnen.
Je begint vaak met het haar. Daarna praat je over de ogen.
Je kunt ook iets zeggen over de lengte of het lichaam.
Je gebruikt steeds een korte zin met een duidelijk onderwerp.
Je kijkt eerst naar het haar.
Je zegt hoe lang het haar is en welke kleur het haar heeft.
Je gebruikt zinnen zoals: “Hij heeft kort haar.” of “Zij heeft lang haar.”
Je zegt ook: “Hij heeft blond haar.” of “Zij heeft bruin haar.”
Daarna kijk je naar de ogen.
Je zegt de kleur van de ogen.
Je zegt: “Zij heeft blauwe ogen.”
Je zegt: “Hij heeft bruine ogen.”
Je kijkt ook naar de lengte van een persoon.
Je zegt: “Hij is lang.”
Je zegt: “Zij is kort.”
Soms zeg je iets over het lichaam.
Je zegt: “Hij is sterk.”
Je zegt: “Zij is dun.”
Met deze zinnen kun je iemand heel eenvoudig beschrijven.
Zij heeft lang bruin haar.
Hij heeft kort blond haar.
Zij heeft groene ogen.
Hij is lang.
Zij is klein en zij heeft blauwe ogen.
Hij heeft zwart haar en hij is sterk.
Meer leren? ⤵️