In het Nederlands worden aanwijzende voornaamwoorden gebruikt om naar iets te wijzen of een specifiek ding te identificeren. Ze zijn vergelijkbaar met "this" en "that" in het Engels.
Er zijn vier belangrijke aanwijzende voornaamwoorden:
Deze
"this" / "these" (dichtbij)
Gebruikt voor de-woorden (enkelvoud) of alle meervouden
Die
"that" / "those" (verder weg)
Gebruikt voor de-woorden (enkelvoud) of alle meervouden
Dit
"this" (dichtbij)
Gebruikt voor het-woorden (alleen enkelvoud)
Dat
"that" (verder weg)
Gebruikt voor het-woorden (alleen enkelvoud)
✅ Tips om te onthouden:
De-woorden: gebruik deze (dichtbij) en die (verder weg).
Het-woorden: gebruik dit (dichtbij) en dat (verder weg).
Voor meervoudige zelfstandige naamwoorden gebruik je deze (these) en die (those), ongeacht het oorspronkelijke lidwoord.
deze (de-woord)
Deze man is mijn buurman.
This man is my neighbor.
die (de-woord)
Die stoel is oud.
That chair is old.
dit (het-woord)
Dit boek is interessant.
This book is interesting.
dat (het-woord)
Dat huis is groot.
That house is big.
deze (meervoud)
Deze kinderen spelen buiten.
These children are playing outside.
die (meervoud)
Die boeken liggen op tafel.
Those books are on the table.
Deze auto is nieuw.
→ This car is new.
Die jas is te klein.
→ That coat is too small.
Dit huis is mooi.
→ This house is beautiful.
Dat raam is kapot.
→ That window is broken.
Deze stoel is comfortabel.
→ This chair is comfortable.
Die leraar is streng.
→ That teacher is strict.
Dit cadeau is voor jou.
→ This gift is for you.
Dat probleem is moeilijk.
→ That problem is difficult.
Deze bloemen zijn voor mijn moeder.
→ These flowers are for my mother.
Die kinderen spelen in het park.
→ Those children are playing in the park.