In het Nederlands zijn sommige werkwoorden scheidbaar, wat betekent dat ze uit twee delen bestaan:
een voorvoegsel (zoals op, uit, mee, aan, terug)
en een hoofdwerkwoord (zoals staan, doen, kijken, bellen).
Wanneer een scheidbaar werkwoord in een hoofdzin wordt gebruikt, gaat het voorvoegsel naar het einde van de zin.
✅ Structuur
Onderwerp + werkwoord + rest van de zin + voorvoegsel
Voorbeelden:
Ik sta op.
Hij belt zijn moeder op.
🔹 Scheidbare werkwoorden in de verleden tijd
In de voltooide tijd (perfectum) blijft het voorvoegsel aan het voltooid deelwoord vastzitten.
Voorbeelden:
Tegenwoordige tijd: Ik sta op. → Ik sta op.
Voltooide tijd: Ik ben opgestaan. → Ik ben opgestaan.
🧩 Tip:
In de voltooide tijd schrijf je het werkwoord altijd als één woord:
voorvoegsel + voltooid deelwoord.
opstaan
opstaan / opstaan
Ik sta elke dag om zeven uur op.
I get up at seven every day.
aankomen
aankomen
Hij komt morgen aan.
He will arrive tomorrow.
uitgaan
uitgaan
Wij gaan vanavond uit.
We are going out tonight.
meebrengen
meenemen / meebrengen
Zij brengt een cadeautje mee.
She brings a gift.
terugkomen
terugkomen
Ik kom straks terug.
I will come back later.
inloggen
inloggen
Ik log elke ochtend in op de computer.
I log in on the computer every morning.
ophangen
ophangen
Hij hangt de jas aan de kapstok op.
He hangs the coat on the coat rack.
doorgeven
doorgeven
Kun je het bericht aan hem doorgeven?
Can you pass the message to him?
meedoen
meedoen
Ik doe mee met het spel.
I join in the game.
voorbereiden
voorbereiden
Wij bereiden het feest goed voor.
We prepare the party well.
Ik sta elke dag om zes uur op.
→ I get up every day at six o’clock.
Zij komt morgen aan.
→ She arrives tomorrow.
Wij gaan vanavond uit.
→ We are going out tonight.
Hij brengt zijn broer mee naar het feest.
→ He brings his brother to the party.
Ik kom straks terug van mijn werk.
→ I will come back from work later.
Hij hangt de jas op aan de kapstok.
→ He hangs the coat on the coat rack.
Kun jij het bericht aan hem doorgeven?
→ Can you pass the message on to him?
Ik doe mee met de wedstrijd.
→ I join in the competition.
Wij bereiden het examen goed voor.
→ We prepare well for the exam.
Ik log elke ochtend op mijn computer in.
→ I log in on my computer every morning.