In het Nederlands zijn er drie manieren om uit te drukken dat iets in de toekomst gaat gebeuren.
Hulpwerkwoord 'zullen' + infinitief
Dit is de formele vorm. Het wordt gebruikt voor beloftes, voorspellingen of plechtige uitspraken. In spreektaal klinkt dit soms wat stijf.
Constructie: Persoonsvorm van zullen + hele werkwoord aan het einde.
Hulpwerkwoord 'gaan' + infinitief
Dit wordt veel gebruikt in spreektaal. Het drukt een intentie of een plan uit ("ik ben van plan om..."). Het klinkt actiever en zekerder dan 'zullen'.
Constructie: Persoonsvorm van gaan + hele werkwoord aan het einde.
Tegenwoordige tijd (OTT) + tijdsaanduiding
In het Nederlands gebruiken we heel vaak gewoon de tegenwoordige tijd om over de toekomst te praten. De voorwaarde is dat er een tijdsaanduiding (zoals morgen, volgende week, straks) in de zin staat, of dat de context duidelijk is.
1. Met 'zullen' (formeel, belofte of waarschijnlijkheid)
De koning zal morgen de troonrede voorlezen.
Ik zal je nooit meer vergeten.
Het zal morgen waarschijnlijk regenen.
2. Met 'gaan' (intentie of plan)
Wij gaan volgende week verhuizen.
Ga jij vanavond ook naar dat feestje kijken?
Ik ga even boodschappen doen.
3. Tegenwoordige tijd + tijdsaanduiding (vaakst gebruikt)
Morgen reis ik naar Parijs.
Volgend jaar studeert zij af.
Wat doe je dit weekend?