In het Nederlands gebruik je de verleden tijd om te praten over dingen die in het verleden zijn gebeurd.
Regelmatige werkwoorden volgen een eenvoudig patroon.
Om de verleden tijd van regelmatige werkwoorden te maken:
Neem de stam van het werkwoord (het hele werkwoord zonder -en).
Voeg -te of -de toe aan de stam.
Welke uitgang je gebruikt, hangt af van de "‘t kofschip"-regel (ook wel bekend als de “soft ketchup”-regel in het Engels).
Dit is een handige manier om te onthouden welke werkwoorden -te(n) krijgen en welke -de(n).
Kijk naar de laatste letter van de stam (niet van het hele werkwoord!).
➡️ Als de stam eindigt op een van de letters van soft ketchup:
s, f, k, t, ch, p
→ gebruik -te (enkelvoud) of -ten (meervoud).
➡️ Als de stam eindigt op een andere letter,
→ gebruik -de (enkelvoud) of -den (meervoud).
🧩 Tip:
“Soft ketchup” helpt je onthouden dat harde klanken (zoals t, k, p) -te gebruiken,
en zachte klanken (zoals b, l, r) -de.
werken (werken)
werk
werkte / werkten
maken (maken)
maak
maakte / maakten
wachten (wachten)
wacht
wachtte / wachtten
leven (leven)
leef
leefde / leefden
spelen (spelen)
speel
speelde / speelden
Gisteren werkte ik tot laat.
→ Yesterday I worked until late.
Vorig jaar woonde ik in Amsterdam.
→ Last year I lived in Amsterdam.
Hij maakte een lekkere soep.
→ He made a tasty soup.
Wij speelden voetbal in het park.
→ We played football in the park.
Zij leerde Nederlands op school.
→ She learned Dutch at school.
Ik wachtte op de bus bij het station.
→ I waited for the bus at the station.
Mijn ouders werkten in een ziekenhuis.
→ My parents worked in a hospital.
De kinderen lachten veel gisteren.
→ The children laughed a lot yesterday.
Jullie maakten een mooie tekening.
→ You (plural) made a beautiful drawing.
Ik fietste naar mijn werk.
→ I cycled to my work.