In het Nederlands gebruik je de voltooide tijd (perfectum) om te praten over iets dat in het verleden is gebeurd en nu klaar is.
Het lijkt op de Engelse present perfect (I have eaten, she has gone) of soms op de simple past (I ate), afhankelijk van de context.
De voltooide tijd bestaat uit twee delen:
Een vorm van “hebben” of “zijn” (het hulpwerkwoord)
Het voltooid deelwoord van het hoofdwerkwoord
🧩 Structuur
👉 Onderwerp + hebben/zijn + voltooid deelwoord
Voorbeelden:
Ik heb gewerkt. → I have worked.
Hij is gekomen. → He has come.
🔑 Wanneer gebruik je “hebben” of “zijn”?
De meeste werkwoorden gebruiken hebben, maar sommige gebruiken zijn.
✅ Gebruik “hebben” bij:
De meeste werkwoorden (vooral als er een lijdend voorwerp is)
Ik heb de film gezien. → I have seen the movie.
✅ Gebruik “zijn” bij:
Werkwoorden van beweging (gaan, komen, lopen, rijden, vallen, vertrekken)
Werkwoorden van verandering van toestand (worden, sterven, blijven)
Zij is naar huis gegaan. → She went home.
💬 Hoe maak je het voltooid deelwoord?
Voor regelmatige werkwoorden:
ge- + stam + -t of -d
Dezelfde regel als bij “soft ketchup” geldt:
Als de stam eindigt op t, k, f, s, ch, p, gebruik je -t.
Bij andere medeklinkers gebruik je -d.
Voorbeelden:
werken → gewerkt
spelen → gespeeld
Voor onregelmatige werkwoorden is het voltooid deelwoord anders — je moet deze apart leren.
Voorbeelden:
gaan → gegaan
zien → gezien
doen → gedaan
🧠 Let op
Als een werkwoord begint met be-, ge-, her-, ver-, ont-, voeg je geen extra ge- toe.
Voorbeelden:
begrijpen → begrepen
ontvangen → ontvangen
werken (to work)
hebben
gewerkt
Ik heb gewerkt.
gaan (to go)
zijn
gegaan
Ik ben gegaan.
maken (to make)
hebben
gemaakt
Zij heeft een taart gemaakt.
komen (to come)
zijn
gekomen
Hij is te laat gekomen.
spelen (to play)
hebben
gespeeld
Wij hebben voetbal gespeeld.
zien (to see)
hebben
gezien
Ik heb de film gezien.
Ik heb vandaag veel gewerkt.
→ I have worked a lot today.
Zij heeft een lekkere taart gemaakt.
→ She has made a tasty cake.
Wij hebben Nederlands gestudeerd.
→ We have studied Dutch.
Mijn broer heeft een nieuwe auto gekocht.
→ My brother has bought a new car.
Jullie hebben in het park gespeeld.
→ You (plural) have played in the park.
Hij is naar de supermarkt gegaan.
→ He has gone to the supermarket.
Wij zijn laat gekomen.
→ We have come late.
Ik heb een leuke film gezien.
→ I have seen a nice movie.
De kinderen zijn naar bed gegaan.
→ The children have gone to bed.
Mijn oma is vorig jaar gestorven.
→ My grandmother passed away last year.