Utrecht is een van de oudste steden van Nederland. Als je op de kaart kijkt, ligt de stad precies in het midden. Daarom noemen mensen Utrecht vaak het "kloppende hart" van het land. Het is een drukke stad met treinen, bussen en veel mensen. Maar de stad is ook heel oud.
De geschiedenis begint bijna 2000 jaar geleden, rond het jaar 50 na Christus. De Romeinen waren toen de baas in een groot deel van Europa. De rivier de Rijn stroomde dwars door Nederland.
De Romeinen bouwden een fort (een militaire basis) op de plek waar nu het Domplein is. Ze noemden deze plek Traiectum. Dat is een Latijns woord en het betekent "oversteekplaats". De naam Utrecht komt van dit oude woord.
In de Middeleeuwen werd Utrecht een belangrijke stad van het geloof. Er werden veel kerken gebouwd. Het beroemdste gebouw is natuurlijk de Domtoren.
De bouw van de toren begon in het jaar 1321. De toren is 112 meter hoog. Het is nog steeds de hoogste kerktoren van Nederland. Als je goede benen hebt, kun je de 465 treden beklimmen. Vanaf de top heb je een prachtig uitzicht over de stad.
Utrecht is ook beroemd om zijn grachten. Amsterdam heeft ook grachten, maar die in Utrecht zijn uniek in de wereld. In Utrecht liggen de grachten heel diep. Beneden aan het water zijn werven (kades).
Vroeger gebruikten handelaren deze werven om hun boten leeg te halen. Ze bewaarden hun spullen in de kelders onder de straat. Tegenwoordig zijn daar geen pakhuizen meer. Nu vind je in de werfkelders gezellige restaurants en cafés direct aan het water.
Als je op het Domplein staat, zie je iets vreemds. De toren staat los van de kerk. Er zit een groot plein tussen. Hoe kan dat?
Vroeger zaten de toren en de kerk aan elkaar vast. Maar in het jaar 1674 was er een verschrikkelijke storm. Het was eigenlijk een tornado. De storm was zo sterk dat het middenschip (het middenstuk) van de kerk instortte. De toren bleef gelukkig staan. Het puin is opgeruimd en nu is daar het Domplein.
Vandaag is Utrecht een jonge stad. Het is de stad met het grootste treinstation van Nederland en de grootste universiteit. Er wonen heel veel studenten. Maar als je door het centrum loopt, zie je overal nog de geschiedenis van de Romeinen en de Middeleeuwen.
Moeilijke woorden
Het fort: Een sterk gebouw waar soldaten wonen om het land te verdedigen.
De oversteekplaats: Een plek waar je veilig naar de overkant van het water kunt gaan.
De handel: Het kopen en verkopen van spullen.
De werf: Een stuk straat laag aan het water, waar boten vroeger konden lossen.
Opslaan: Spullen bewaren om ze later te gebruiken.
Instorten: Kapotgaan en naar beneden vallen (bijvoorbeeld een gebouw).
Het puin: De stukken steen die op de grond liggen nadat een gebouw kapot is gegaan.